Tom zoekt werk.
Hij ziet een advertentie.
Een supermarkt zoekt personeel.
Tom stuurt een e-mail.
Hij krijgt een uitnodiging.
Hij mag op gesprek komen.
Hij zoekt informatie.
Wat doet de supermarkt?
Wat vragen ze?
Hij oefent vragen.
"Waarom wilt u hier werken?"
"Wat kunt u goed?"
Hij kiest nette kleren.
Hij komt op tijd.
Hij geeft een hand.
De baas stelt vragen.
Tom geeft antwoorden.
Hij doet zijn best.
Nu moet hij wachten.
Hopelijk krijgt hij de baan!
• Advertentie → Een tekst met informatie over een baan.
• Personeel → Mensen die ergens werken.
• Uitnodiging → Een brief of e-mail waarin staat dat je mag komen.
• Oefenen → Iets steeds opnieuw doen om beter te worden.
• Baas → De persoon die de leiding heeft.
Set up a web page with Mobirise